details van kunstenaar:

Corneille (Cornelis Guilaume Beverloo)

Cobra

1922 - -

Beverloo, beter bekend als Corneille, ontwikkelt zijn stijl door een reis naar Budapest in 1947. Hij ontdekt daar het werk van Paul Klee en hij ontdekt de geschriften van de Surrealisten zoals; Breton,Eluard en Aragon. Hij raakte geinteresseerd in het poetische werk van Carl-Henning Pedersen, die hij in Parijs ontmoet, en die veel met fantasievogels en stralende kleuren werkt.

Naar aanleiding van deze gebeurtenissen krijgt hij in 1948 een stijl waarin stellage-achtige wezens met vreemde koppen, vrolijke, felle kleuren en uitbundige vormen voorkomen. Ook spelen de vogels een belangrijke rol in zijn werk. Hij zegt;”De vogel is het volmaakte beeld van de beweging”.

Zijn stijl onthult aan het eind van 1948 een mytisch motief; de lijnen worden lichter,losser, krijgen een dansend ritme en er komen nog meer vreemde wezens in zijn werk voor. Ze zijn nu alleen niet meer angstaanjagend maar ze hebben een goedaardig karakter. Hij toont van alles in zijn werk; vogels, vissen, dieren en kind-mensen met grote ballonhoofden die in de ruimte zweven.

In 1949 komen er opvallend veel motieven voor die met water, de zee, en misschien zelfs met reizen en rondtrekken te maken hebben. Zijn werk heeft verband met het werk van Pedersen. Hij begint bovendien in sommige tekeningen en aquarellen te schrijven. In de loop van 1950 verdwijnen de grote ballonhoofden naar de achtergrond en gaat dorre aarde waar zij die tijd op rondliepen als motief een grotere rol spelen.

Hij laat de simpele kinderlijke manier van weergeven vallen en gaat zich meer concentreren op de uitdrukkingskracht van lijn, vorm en kleur. In deze periode komt opnieuw het motief “stad” op als een grillige opeenstapeling van vormen en dit motief zal nog lang bij hem blijven. De vreemde wezens verdwijnen in de loop van 1952 bijna helemaal uit zijn werk op de vogel na. De Cobra jaren waren voor Corneille voornamelijk een voorbereidingsperiode voor wat later zijn aparte eigen stijl zou worden. Hij wilde experimenteren, en dit ziet men aan zijn vele motieven en aan de verschillende manieren van tekenen en schilderen die hij snel op elkaar liet volgen. Maar de Cobra periode was niet zijn uitgangspunt.

De meer construerende tendens, waar het motief “stad” een belangrijke rol speelt, is vooral terug te vinden vlak na de Cobra periode. De lichtheid, het speelse en de intimiteit van de schilderijtjes is verdwenen en hij is op weg een grotere, forsere en bredere schildertrant te vinden. Dit breekt geleidelijk door in de jaren 1955-1956. In deze jaren word het motief “aarde” ook steeds belangrijker. In 1957 krijgt dit motief helemaal de overhand. De grote ronde vorm die in verschillende gedaantes voorkomt in zijn werk; in de Cobra tijd vreemde ballonhoofden; in de steden een zon, een maan of een plein; verbeeldt in dit latere werk een nimmer afwijkende brandende zon die haar beeltenis als het ware aan de aarde heeft geschroeid.

In deze periode gaat hij veel op reis; hij gaat onder andere naar Afrika waar hij wordt aangetrokken tot de tropische natuur. Hij zegt dat hij naar het “innerlijke leven van de natuur” zocht, maar hij heeft meer gewerkt met de tastbare aardkorst. Naar aanleiding van dit, kan Corneille dan ook een “materie-schilder” genoemd worden, hoewel de benadering van die materie een totaal andere is.

De vogels zijn voor hem erg belangrijk en prominent aanwezig. In de laatste periode heeft hij een uiteindelijke stijl gevonden waarin hij veel met de tastbare aardkorst werkt. Hij is een echte “materie-schilder.

Onbekend.

In de tuin met vogels